bouwkunst in de 19de eeuw

a r c h i t e c t u u r

n e o s t i j l e n

Aansluitend bij de belangstelling voor de klassieken en het verleden, bestond er de 19e eeuw veel belangstelling voor bouwstijlen uit vorige eeuwen. Er werd gebouwd naar historische voorbeelden. De neostijlen bepaalden toen het gezicht van de architectuur.
Door de industriële revolutie waren de technische en maatschappelijke ontwikkelingen groot. De architecten hadden echter weinig oog voor de nieuwe mogelijkheden, zij bleven maatverhoudingen, vormen en decoraties gebruiken van stijlen uit het verleden: neoclassicisme, neogotiek, neorenaissance en neobarok. Soms gebruikte men elementen uit verschillende stijlen door elkaar, dat wordt eclecticisme genoemd.

Architectuur was een vak waarbij men beredeneerd vaststaande regels toepaste, er werd volgens recept ontworpen met vaste (klassieke) ontwerpprincipes, maatverhoudingen, vormen en decoraties. Deze beredeneerde manier van ontwerpen noemt men rationalisme.
Rond 1870 nam men aan dat voor elk gebouwtype er een passende 'stijl‘ was. Voor overheidsgebouwen en openbare gebouwen werd de neoclassicistische stijl gebruikt, voor kerkgebouwen de neogotiek en voor villa's geromantiseerde versies van bouwstijlen uit de eigen nationale traditie.
Excentrieke gebouwen ontstonden door Oosterse bouwstijlen als voorbeeld te nemen.
Ingenieurs bouwden fabrieken in een stijl die we nu 'high tech' zouden noemen.

kenmerken neostijlen
  • teruggrijpen op stijlen uit het verleden 
  • de keuze van een stijl werd afgestemd op de functie van het gebouw 
  • eclecticisme: vermenging van meerdere, vroegere stijlen

De Verlichting had een hernieuwde belangstelling teweeg gebracht voor de antieke wereld die ook navolging vond in de bouwkunst. Door de opgravingen bij Pompeii en Herculaneum kreeg men inzicht in de gebruikte bouwtechnieken. Het neoclassicisme ontstond in het midden van de achttiende eeuw als eerste van de neostijlen, in Engeland en Frankrijk. De strenge, geometrische verhoudingen van de klassieke bouwkunst werden tot een nieuwe esthetische standaard verheven.

Nadat Napoleon aan de macht kwam, liet hij in 1805 de Arc de Triomphe du Carroussel bouwen om in Parijs de sfeer van het keizerlijke Rome op te roepen. Dit monument was natuurlijk ook ter herdenking van zijn overwinningen. In 1828 is bovenop een vierspan geplaatst met de Godin van de vrede. 
In zijn streven naar representatieve architectuur werd in 1806 begonnen met de bouw van een tweede triomfboog, de Arc de Triomphe op het Place de l’Etoile, wat later de Place Charles de Gaulle werd.
Deze triomfboog was een eerbetoon aan zijn legers. De plaatsen waar Napoleon zijn overwinningen behaalde met namen van 660 generaals en officieren zijn in de muren gegraveerd. Sinds 1921 brandt onder deze boog een eeuwigdurende vlam bij het graf van de onbekende soldaat.

neoclassicisme


ontwerp voor het Panthéon Parijs ¤ 

Jacques-Germain Soufflot 1713-1780

Soufflot paste de klassieke vormentaal consequent toe. In tegenstelling tot de late barok- en rococostijlen van zijn tijdgenoten, toonden zijn ontwerpen 'de striktheid van de lijn, de stevigheid van de vorm, de eenvoud van de contour en een strenge opvatting van architectonische details'. 

Het Pantheon werd oorspronkelijk gebouwd als een kerk voor St. Genevieve, de beschermheilige van Parijs, om haar relikwieën te huisvesten. Lodewijk XV gaf Soufflot in 1755 de opdracht om deze kerk te ontwerpen, de bouw begon twee jaar later. Het ontwerp is een vroeg voorbeeld van neoclassicisme, met een gevel naar voorbeeld van het Pantheon in Rome, bekroond door een koepel die zijn karakter ontleent aan Bramante’s Tempietto. Ongewoon geplaatste Korinthische zuilen dragen het fronton. Een technische vernieuwing was dat het metselwerk versterkt is met metalen staven

Door een economische recessie vorderde het werk langzaam. In 1780 stierf Soufflot, de nieuwe kerk voor St. Genevieve werd pas tien jaar later voltooid, wat samenviel met het begin van de Franse Revolutie. Het instituut kerk werd steeds meer gezien als een van de machthebbers die besteden moest worden.
Na het overlijden van de populaire Franse staatsman Mirabeau in 1791, besloot de Nationale Vergadering (waar Mirabeau voorzitter was geweest) dat de kerk een mausoleum moest worden voor grote Fransen. Mirabeau werd er als eerste begraven. Op het fronton kwam een sculptuur: 'Het Vaderland bekroont zijn heroïsche en burgerlijke deugden', in 1858 weer vervangen door het huidige werk van David d' Angers. 
De inscriptie op het fronton stelt: 'Aux Grands Hommes La Patrie Reconnaisante'. Het Vaderland is zijn grote mannen erkentelijk.

David d'Angers - sculptuur op het fronton van het Panthéon in Parijs  1858 ¤
Op het driehoekige fronton is de personificatie van het vaderland te zien, zij deelt lauwerkransen uit aan politici, wetenschappers en kunstenaars (links). Rechts zijn anonieme soldaten weergegeven, aangevoerd door de jonge generaal Bonaparte. De Vrijheid reikt de kransen aan en de gevleugelde Geschiedenis schrijft de namen van de helden op. 
Het Panthéon werd sindsdien weer tweemaal tot kerk gewijd, om uiteindelijk toch een seculier mausoleum te worden voor grote intellectuelen en vooraanstaande Franse burgers.

Eugene Giradet
de apotheose van Rousseau 1794
ets en gravure ¤
Giradet legde de gebeurtenissen tijdens de bijzetting van Jean-Jacques Rousseau vast in een prent, die in oplage verspreid werd. Als één der grote Franse filosofen werd Rousseau geeërd met een laatste rustplaats in het Panthéon. De dominante koepel en de grootte van het Pantheon zijn in de prent door het lage standpunt geaccenteerd, de lucht wordt om het Pantheon lichter, waardoor het gebouw massiever lijkt. In de voorstelling zitten ook ideologische verwijzingen verstopt: een vormovereenkomst tussen het standbeeld van Rousseau op de voorgrond en de wapperende vlag op de koepel, die majestueus uittorent boven het gebouw en grandeur en gezag uitstraalt.

De prent toont het klassieke karakter van de ceremonie waarmee de Franse revolutionairen een dergelijke gelegenheid omgaven: een lange processie slingert zich onder trompetgeschal in de richting van de enorme deuren van het Pantheon. De klassieke inspiratie is zichtbaar in de kleding van de dragers van het standbeeld (dat in de schaduw van een boom -de natuur- zit), en de Romeinse standaards die worden meegedragen.

Jacques Soufflot La Madeleine 1842 ¤
Soufflot tekende ook het ontwerp voor La Madeleine, geïnspireerd door de Romeinse tempel in Nimes en Griekse architectuur. De bouw begon eind achttiende eeuw, maar werd pas beëindigd in 1842. Het gebouw is omringd door een rij van 52 Corinthische zuilen van 20 meter hoog. La Madeleine is nog steeds als kerk in gebruik.
Soufflot was een man van de Verlichting: hij liet zich leiden door studie van klassieke architectuur, maar observeerde ook de gotiek. Meer recente voorbeelden boden hem oplossingen voor technische problemen. Als 'architect van het licht' hield hij rekening met de stedelijke omgeving en hij was bereid tot aanpassingen om aan de behoeften van de opdrachtgever te voldoen ¤

Een voorbeeld van Hollands classicisme is paleis Soestdijk.


neogotiek

Tijdens de Romantiek werden name de Middeleeuwen populair, dit leidde tot de neogotische bouwstijl. In het kielzog van het neoclassicisme kwamen de romaanse en gotische bouwstijlen opnieuw tot leven. De neogotiek is deels een reactie op het neoclassicisme. Vooral in Engeland en Duitsland was het een stijl die zich afzette tegen de dominantie van het republikeinse Frankrijk. Neoclassicisme werd geassocieerd met de rationaliteit van de Verlichting en het hieruit voortgekomen geweld van de Franse Revolutie.

Charles Barry en Augustus Pugin bouwden van 1840 tot 1860 the Houses of Parliament in Londen. In dit toonaangevende neogotische gebouw is het Engelse parlement gehuisvest.

De neogotiek werd vaak gekozen voor gebouwen met een religieuze functie, zoals ook de Dom van Keulen.

De vroege neogotiek wordt in Nederland ook wel Willem II-gotiek genoemd. Deze stijl liet het neogotische karakter vooral zien in het decoratieve gebruik van spitsbogen en pinakels. De architect Pierre Cuypers paste echter ook gemetselde gewelven toe, hij wilde eerlijker materiaalgebruik en functionelere toepassing van ornamenten. Zijn contact met de Franse architect Viollet-le-Duc, die de restauratie van de Notre Dame leidde, is daarbij van invloed geweest. Cuijpers bouwde vele kerken in neogotische stijl, maar ontwierp ook het centraal station en het Rijksmuseum in Amsterdam in neorenaissance stijl.

In Nederland is ook stoomgemaal De Cruquius uit 1849 een industrieel monument in neogotische, middeleeuwse stijl.


ingenieurskunst

Door de Industriële Revolutie kwamen er nieuwe opdrachtgevers. Naast kerken en stadhuizen moesten er nu ook fabrieken en spoorbruggen gebouwd worden. Omdat deze nieuwe opdrachtgevers zich minder gebonden voelden aan de traditionele vormen, kon de basis worden gelegd voor een nieuwe bouwkunst.

De architecten waren echter opgeleid in het bouwen in oude stijlen, en wisten nog niet goed raad met de nieuwe opdrachten, materialen en constructiemogelijkheden. De ingenieurs hadden echter leren rekenen en construeren met gietijzer, en later met staal. Met de ervaring die ze opgedaan hadden bij de bouw van bruggen, viaducten en perronoverkappingen, raakten ze betrokken bij de architectuur.

Ingenieurs en architecten gingen samenwerken. De architecten bepaalden dan de vormgeving en de ingenieurs namen het constructieve deel voor hun rekening. Zo is de perronkap van het centraal station in Amsterdam ingenieurswerk van Eymer, zonder architectonisch verband met het hoofdgebouw. Deze ingenieur heeft alleen de constructie van de perronoverkapping gemaakt.

prefabricage

Voor de allereerste wereldtentoonstelling in 1851 werd in Londen het Crystal Palace gebouwd. Het gebouw werd ontworpen door de kassenbouwer Joseph Paxton en bestaat uit prefab gietijzeren elementen. De gelijkvormige gietijzeren elementen konden op de bouwplaats heel snel worden gemonteerd tot een kolossaal bouwwerk van 555 meter lengte en 135 meter breedte. Ook nieuw was het gebruik van glasplaten die machinaal vervaardigd waren. Het ontwerp was gebaseerd op de grootste maat glasplaat die beschikbaar was. Het transparante gebouw is in 1936 door brand verloren gegaan.
Crystal Palace
Deze constructiemethode was een technologische doorbraak, en maakte de weg vrij voor geprefabriceerde ontwerpen. Deze wijze van bouwen was sneller en dus goedkoper. 

Ook de Eiffeltoren werd gebouwd voor de wereldtentoonstelling van 1889, inmiddels het beeldmerk van de stad Parijs. Het ontwerp was van ingenieursbureau Eiffel, die ook het vrijheidsbeeld maakten dat Frankrijk aan de Verenigde Staten schonk. De Eiffeltoren bestaat bijna volledig uit smeedijzer, alleen de vier voetstukken van de poten zijn van gietijzer. 


Het huidige Musée D'Orsay was een station in Parijs, dat werd ontworpen voor de wereldtentoonstelling van 1900. Meer dan 50 miljoen bezoekers arriveerden daar per stoomtrein en werden op bewegende trottoirs en de eerste roltrappen naar de expositiegebouwen vervoerd. De voormalige stationshal is 170 meter lang en heeft een kap van glas en gietijzer. Deze reusachtige metalen constructie is zwaarder dan de Eiffeltoren en het middenschip van deze ruimte is groter dan dat van Notre-Dame.
Het naar de smaak van de tijd te industriële aspect van het gebouw werd verstopt achter een classicistische façade met beelden van Franse steden en Mercurius, beschermer van reizigers. In de hal werd de ruimte tussen de metalen pijlers met antiek uitziende cassettes versierd, een monumentale klok in de gevel gaf de reizigers het juiste uur aan.

Daarnaast was het Grand Palais een van de tentoonstellingsgebouwen. Met haar glazen koepels lijkt het Grand Paleis op het Crystal Palace en de kas van Kew Gardens in Londen. Het Grand Palais is een combinatie van neoclassicisme en Jugendstil, die op deze tentoonstelling goed vertegenwoordigd was met haar aan de natuur ontleende, decoratieve vormen. Gietijzer leende zich goed om deze nieuwe vormentaal in de architectuur toe te passen.

kenmerken ingenieurskunst
  • onbevangen gebruik van nieuwe materialen en technieken
  • toepassing van gietijzer, staal en glas 
  • toepassing van functionele (skelet)bouwtechnieken in staal
  • de constructie van het gebouw wordt niet verhuld 
Deze ontwikkelingen vonden toepassing in bruggen van gietijzer, spoorwegstations, fabrieksgebouwen, winkelpassages, plantenkassen van gietijzer en expositiegebouwen voor tentoonstellingen. Vooral gietijzer werd gebruikt.

Gietijzer werd gemaakt in mallen. Het element dat men wilde gieten moest eerst in hout gemaakt worden, deze vorm drukte men in een mal gevormd met zand. Daarna werd het gietijzer in de zandvorm gegoten, en ontstond de gewenste ijzeren vorm. Men kon zo veel verschillende vormen maken en in grote aantallen.  Gietijzer werd gebruikt voor bruggen en kolommen.
Vanaf 1860 wordt ook smeedijzer gebruikt, door verhitting kan ijzer in vorm worden gebogen of gehamerd. Het voordeel is de hogere treksterkte, maar het heeft een lagere druksterkte dan gietijzer. Smeedijzer werd toegepast op plaatsen waar het in buiging belast werd, zoals bij kapconstructies en bruggen.    
Pas in 1880 werd het mogelijk staal te gebruiken. Dit opende de mogelijkheid om gebouwen te construeren in vormen en afmetingen die voordien onmogelijk waren geweest. Staal kan grote krachten opnemen en maakt grote overspanningen mogelijk. Het eerst is dit te zien in de bruggenbouw, bij stations en fabrieken.
Technisch gezien hadden ingenieurs de leiding bij deze voortdurende ontwikkeling. Architecten konden de staalconstructies, die een dunne, ijle indruk maakten, niet altijd combineren met hun massieve stenen bouwwerken. In de tweede helft van de 19e eeuw kon men de dragende muren vervangen door een volledig stalen skelet, maar deze constructie werd aanvankelijk nog verborgen. 

William Le Baron Jenney paste na 1880 voor het eerst staalskeletbouw toe bij kantoorgebouwen in Chicago. Het skelet werd nog aan het oog onttrokken door gevels en binnenmuren. De gevels van deze eerste wolkenkrabbers werden in neostijlen ontworpen en hadden weinig verband met de structuur van het gebouw.  

Louis Sullivan maakte de skeletconstructie in de architectuur zichtbaar. De structuur van het stalen skelet werd wel afgewerkt. Sullivan formuleerde een belangrijk uitgangspunt voor de 20ste-eeuwse architectuur: form follows function. De vorm van een gebouw moet het logische gevolg zijn van de functie, het gebruik van de ruimte, of van de constructie. Met de functie als uitgangspunt ontstaat de vorm als het gevolg daarvan.

neorenaissance

Pierre Cuijpers 1827–1921

Het ontwerp voor het Centraal Station in Amsterdam (1881) werd gemaakt door Cuypers. Het was het eerste stationsgebouw in Nederland waarvan het ontwerp aan een architect werd toebedeeld, omdat het op een markante plaats in Amsterdam moest komen.
Cuijpers liet zich voor de stijl van het station inspireren door de late gotiek en de vroege renaissance. Het is ca. 306 meter lang en 30 meter diep. Twee torens accentueren het middengedeelte. Tegen het einde van de bouwperiode kwam ook het Koningspaviljoen gereed met de koninklijke wachtkamer.


Na 1880 genoot Amsterdam van een grote economische opbloei, waardoor de architectuur een nieuwe impuls kreeg. Vooral de neorenaissance was erg populair, een neostijl waarin de "Oud Hollandse stijl" van het begin van de 17de eeuw herleefde.
Ook het Rijksmuseum is door Pierre Cuypers ontworpen in neo-renaissancestijl. De bedoeling was dat 'de vormen van het gebouw zijn bestemming moesten uitdrukken'. Het museum vormt ook een stadspoort, tussen de torens is een onderdoorgang die een verbinding moest vormen tussen het centrum en het achterliggende museumplein. De torens herinnerden aan het ideaalbeeld van een harmonische gemeenschap waarin de openbare en kerkelijke gebouwen domineren.


De plattegrond van het grote, symmetrische, vrij in een tuin gelegen gebouw laat een rechthoek zien met aan weerszijden van de middenas een door drie vleugels omgeven binnenplaats. Als bouwmaterialen zijn vooral rode baksteen, graniet, kalk- en zandsteen gebruikt. De door kruisribgewelven op bundelpijlers en zuilen overdekte onderdoorgang was oorspronkelijk aan beide kanten voorzien van smeedijzeren hekken en glas, die uitzicht boden op de van glaskappen voorziene binnenplaatsen. De decoaties op het gebouw brengen de geschiedenis van Nederland in beeld.

De architect koos een stijl die bij de functie van het gebouw paste. Het Rijksmuseum moest een nationaal symbool voor het roemrijke Hollandse verleden worden, daarom koos Cuypers een bouwstijl uit de Gouden eeuw: de neorenaissance. Deze monumentale stijl moest ook in stadspanden de waardige betrouwbaarheid van de bewoners of gebruikers van het gebouw onderstrepen.

kenmerken van de Hollandse neorenaissance

  • trapgevels 
  • speklagen:  horizontale lijnen in de gevel 
  • kruiskozijnen 
  • natuurstenen gevels 
  • zadeldaken 
  • zuilen, pilasters en rondbogen

neobarok

De neobarok wilde dynamische, ruimtelijke architectuur met plastische, gewelfde gevels. Het was een rijk versierde stijl. Toepassing van concave en convexe vormen in het bouwwerk, en imponerende bouwonderdelen als koepels en ver uitstekende kroonlijsten. 

In Parijs werd Opéra Garnier gebouwd. Dit theater kenmerkt de grandeur die de opera uitstraalde in de negentiende eeuw met de luxe, pracht en praal waar de burgerij zich graag mee identificeerde. Het gebouw werd in 1862 ontworpen in opdracht van Napoleon III door Charles Garnier. Hij gaf de monumentale voorgevel zeven bogen met daarboven ramen, omsloten door dubbele zuilen en zuiltjes om het verticale element te benadrukken. De gevel werd gedecoreerd met borstbeelden en allegorische voorstellingen op de hoeken: een ervan is "La Danse" van Carpeaux. De vier reliefs beelden de kunstvormen uit die bij opera gebruikt worden: poëzie, muziek, dans en theater.
Het interieur werd uitgevoerd in rood fluweel en goud, met pompeuze trappen van wit carrara marmer en een grand foyer naar voorbeeld van de spiegelzaal in Versailles. Het was een paleis voor de haute bourgeoisie waar men zich kon vermaken zoals vroeger aan het hof gebruikelijk was. Opéra Garnier werd in 1875 voltooid.
Charles Garnier Opera 1885

follies en fantasiearchitectuur

folly: tempel der filosofie
in een Engels park
De toepassing van neostijlen in de architectuur bood een meer speelse, vrije omgang met de vormenwereld. In Engeland combineerde men de neoclassicistische strengheid met de natuur in landschapsparken. Heel nauwkeurig werden om deze gebouwtjes parken aangelegd waarin alles juist natuurlijk moest overkomen. Met de bouw van follies liepen rationalisme en romantiek door elkaar.
Het woord folly is te danken aan de Engelse grootgrondbezitters die al in de 18e eeuw hun parken bevolkten met namaak-ruïnes, maar ook kunstmatige grotten, labyrinten, Chinese paviljoens, obelisken en piramides lieten aanleggen.

Enerzijds was er het verlangen naar perfecte harmonie en rust, anderzijds een ongedwongen romantische en historistische nieuwsgierigheid naar het onbekende of vroegere tijden. Naast de folly werd er in de 19e eeuw daarom ook in fantasievolle stijlen gewerkt. Men was de traditie moe, zoals men elke vorm van centraal gezag moe was. Het toepassen van de historische stijlen bracht een stijlanarchie en ongebreidelde fantasie met zich mee.   Kunsthistoricus Nicolaus Pevsner noemde de architectuur van het laatste kwart van de 19e eeuw 'een gekostumeerd bal'.


De Spaanse architect Gaudi ontwierp fantasiebouwwerken, bijvoorbeeld bij Park Güell.
Gaudi ontwikkelde zijn eigen bouwtechnieken. Ontwerpen maakte hij met constructie van hangende touwen en zandzakjes. De vormen die dit opleverde paste hij in zijn bouwwerken toe. Hierin komen nauwelijks rechte lijnen voor, en alles moest in een arbeidsintensief proces met mallen gemaakt worden. Gaudi bouwde in Barcelona de kathedraal Sagrada Familia en stadsvilla’s als Casa Milà en Casa Batlló. In Spanje wordt zijn stijl Modernismus genoemd, waarmee de Jugendstil of Art Nouveau bedoeld wordt.
Gaudi's kleurige, organische bouwstijl kreeg in de 20e eeuw een vervolg in het werk van Friedensreich Hundertwasser

Het sprookjeskasteel Neuschwanstein werd gebouwd door koning Ludwig van Beieren. Hij liet in zijn middeleeuwse kasteel ruimtes inrichten naar de verhalen van de opera’s van Wagner. 

neobyzantijns


Zo waren ook Oosterse gebouwen een inspiratiebron. John Nash ontwierp al in 1815 het koninklijk Paviljoen in Brighton.

John Nash  koninklijk paviljoen  1815
Ook het Italiaanse paviljoen op de wereldtentoonstelling van 1900 werd gebouwd in neobyzantijnse  stijl.

Het Nederlandse tentoonstellingsgebouw op deze wereldtentoonstelling in Parijs presenteerde de koloniale glorie met een reconstructie van de Candi Sari, een boeddhistische tempel uit de 9e eeuw op Java.
Nederlands paviljoen op de wereldtentoonstelling van 1900 in Parijs

Louis Delacenserie
ontwerp stationshal ¤

de eclectische bouwstijl

Vanuit de zoektocht naar nieuwe vormen, ontstond een veelheid aan bouwstijlen die elkaar aanvulden. Eclecticisme is het combineren van elementen van verschillende stijlen, met als kenmerk de keuzevrijheid van de architect.

Een voorbeeld van een eclectische kerk is de Sacré Coeur in Parijs, met Byzantijnse en Romaanse stijlelementen.

Het station in Antwerpen wordt met recht 'de spoorwegkathedraal' genoemd. Een vergelijking van dit station met een paleis niet misplaatst. De architect Louis Delacenserie had in 1895 het vooruitstrevende plan om -naar voorbeeld van het Crystal Palace uit 1851- staal en glas te gebruiken, maar het ontvangstgebouw moest ook de taal van het verleden spreken. Hij koos voor centraalbouw als ontwerpprincipe uit de renaissance, en de spoorhal werd symbool voor de nieuwe tijd met moderne materialen en technieken. Een grote klok, met een achterliggend raam dat zich als een pauwenstaart om de tijd plooit, symboliseert de verbinding tussen de architectuur van het verleden en die van de eigen tijd. In dit enorme gebouw heeft Delacenserie de constructieve mogelijkheden van staal en gietijzer gecombineerd met traditionele steen- en decorarchitectuur. 

Bekijk HIER meer afbeeldingen van de spoorwegkathedraal.

foto: Micael Correia
art nouveau
Kunstenaars die de neostijlen af wezen maar wel moderne technieken wilden gebruiken, vonden in de natuur een nieuwe inspiratiebron. Met sierlijke organische vormen en golvende lijnen zochten zij naar eenheid in de kunst; schoonheid en functionaliteit moesten verenigd worden. De architect hield niet op bij de gevel, ook het interieur en de meubels werden ontworpen, zodat er een totaalkunstwerk ontstond. Er werd veel gietijzer en smeedijzer toegepast. De Jugendstil of Art Nouveau was een internationale stijl in heel Europa rond 1900 in de architectuur, maar ook in de decoratieve kunsten. Deze ‘moderne’ vormgevingsstijl gaf vooral een eigentijds levensgevoel weer.

Victor Horta en Henry van de Velde lieten met de nieuwe, revolutionaire constructiemethoden bouwelementen vloeiend in elkaar overgaan zoals bij een plantaardig organisme. Het gietijzer was heel geschikt voor de lineaire, decoratieve elementen. Beeldhouwkunst vormde een onderdeel van het interieur. In de Jugendstil werd het interieur samen met de inventaris tot één geheel gecomponeerd. Behang, gordijnen, tapijten, meubelen en kleinere détails vormden samen een op elkaar afgestemd totaalbeeld.
William Morris was al begonnen met interieurdesign, Victor Horta en Henry van de Velde voerden dit tot het uiterste door.

de cirkel was rond 

Neoclassicisme, neogotiek, neobyzantijnse architectuur, maar ook eclectische vormen werden in de tweede helft van de 19e eeuw toegepast. Neorenaissance en neobarok voerden in de late negentiende eeuw de boventoon, waarmee alle historische bouwstijlen een revival hadden gezien. De technische ontwikkelingen en ingenieurskunst hebben in de 19e eeuw de fundamenten voor de architectuur van de 20e eeuw gelegd.

UITGELICHT:  de Notre Dame Du Raincy

Auguste Perret (1874 - 1954) was een Frans architect, de eerste die zich specialiseerde in bouwen met gewapend beton. Hij zou Le Corbusier het bouwen met dit materiaal hebben geleerd. In zijn werk versmolt Perret neoclassicisme met moderne elementen en technieken (prefab-skeletbouw). Zijn architectuur is een synthese van theoretische concepten over de oudheid en middeleeuwen die aan het einde van de 19e eeuw ontwikkeld werden.

Perret kreeg de opdracht om De Notre Dame van Le Raincy voor weinig geld te bouwen op een klein stukje grond. De kerk was bedoeld om de Franse overwinning van de eerste slag bij de Marne (1914) te herdenken. Naast de ingang kwam dan ook een herdenkingskapel. Het gebouw is opgezet als basilica (zonder dwarsschip, 56 m lang en 20 m breed), en bestaat uit zuiver constructieve elementen. De rechthoekige plattegrond is opgedeeld in drie schepen (een middenschip geflankeerd door zijbeuken), door de gelijke hoogte is het ook een hallenkerk.


Binnen worden een doorlopend schaalgewelf boven het schip en dwarse tongewelven boven de smalle zijbeuken gestut door vier rijen vrijstaande, 11 meter hoge, slanke zuilen. Perret gaf de zuilen een eigen variant van de Griekse entasis (verjonging) mee, door de diameter van Ø 43 cm aan de voet te laten verlopen tot Ø 35,5 cm aan de top. Hij gaf ze ook een soort gotische cannelures, omdat ze in de gietmal met stroken en ribbels zijn gemodelleerd, waardoor ze lijken op gotische bundelzuilen.

Het licht valt door de grote ‘schermwanden’ in subtiele kleurvariaties. De kleuren van de ramen zijn gerangschikt in de volgorde van het spectrum, van geel bij de ingang tot paars-blauw bij het hoogaltaar. De kerk is een kooi van glas en beton. De buitenmuren zijn rastervormige schermen met open panelen van voorgestort beton, die met gekleurd glas zijn opgevuld. Voor de glaspanelen werden tien voorstellingen uit het leven van Maria ontworpen door Maurice Denis.

Inspiratiebronnen voor Perret:

o Viollet-le-Duc (1814 –1879), een Frans architect en architectuurtheoreticus die veel middeleeuwse gebouwen (vooral kerken) restaureerde, die tijdens de beeldenstorm en de Franse Revolutie beschadigd waren. Hij was een belangrijke figuur ten tijde van de neogotiek. In Nederland was Viollet-le-Duc ook een belangrijke inspiratiebron voor architecten als Pierre Cuypers en Hendrik Petrus Berlage, die eind 19e eeuw het rationalisme in Nederland introduceerde.
Viollet-le Duc zag de Griekse en gotische architectuur als uitdrukking van een ideale, rationele bouwkunst.

Auguste Perret geloofde dat met gewapend beton ‘oprechtheid van constructie’ (eis van Viollet-le-Duc) kon worden bereikt. Perret werd daarnaast geïnspireerd door de classicistische bouwstijl in Frankrijk, maar de stijl van Perret is een rationele synthese van Griekse en gotische bouwwijzen. De klokkentoren (43 m) van de Notre Dame Du Raincy is geïnspireerd door middeleeuwse torens. De toren dankt zijn effect aan een combinatie van gotische verticale ‘opstuwing’ en een stapeling van cilinders zoals bij klassieke zuilen.

HIER vind je meer afbeeldingen van de Notre Dame Du Raincy.